Platform over civiele techniek & infrastructuur
Jaarboek

Bommen opsporen aan de hand van archiefstukken

Het-zwaar-getroffen-Nijmegen,-d.d
Het zwaar getroffen Nijmegen, d.d. 28 september 1944.

Tekst | Roel van Gils

Beeld | Bombs Away

23 december 2021 Leestijd 10 minuten

Deel dit artikel

Als er grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden in een gebied, is het van belang om vooraf te weten of er rekening gehouden moet worden met ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. In de eerste plaats om de risico’s daarmee zoveel mogelijk te beperken, maar ook omdat het een enorme impact kan hebben op de planning en financiën van een project. Het uitvoeren van historisch vooronderzoek is daarin cruciaal. “Soms moet je iets meer besteden aan de voorkant om veel (tijd en geld) te besparen aan de achterkant”, zegt Julia Enenkel, historicus bij Bombs Away, een onafhankelijk adviesbureau voor opsporing van ontplofbare oorlogsresten. Een boeiend gesprek met de historisch onderzoeker.

Niet ontplofte vliegtuigbommen op het spoor in Hamm in Duitsland, d.d. 15 mei 1945.

“Men staat er vaak niet bij stil, maar alles wat in de oorlog is verschoten en afgevuurd, daarvan is – een voorzichtige schatting – circa 10% achtergebleven in de bodem als blindganger. Dat is natuurlijk ongelooflijk veel. En dan hebben we het nog niet eens over de explosieven die ergens gedumpt zijn aan het einde van de oorlog. Iedere dag worden er dan ook nog explosieven gevonden. De Explosieven Opruimingsdienst heeft het er maar druk mee”, weet Enenkel. “Als er in een bepaald gebied grondroerende werkzaamheden zullen worden uitgevoerd, is het dus essentieel om vooraf te weten of er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Sommige gemeentes hebben al een risicokaart (een historisch vooronderzoek voor de gehele gemeente) laten opstellen door ons of door een collegabedrijf, maar in alle andere gevallen zal er eerst historisch vooronderzoek uitgevoerd moeten worden.”

Verdacht of onverdacht?

Historisch vooronderzoek is volgens Enenkel het allerbelangrijkste aspect bij het opsporen van ontplofbare oorlogsresten. “Het is het knopje aan of uit”, zegt ze. “Als er geen aanwijzingen zijn van oorlogshandelingen in een projectgebied, dan kunnen de grondwerkzaamheden gewoon worden uitgevoerd. Vinden we wel aanwijzingen, dan volgt er een heel ander traject. En dat kan een behoorlijke impact hebben. Een vliegtuigbom ruimen in een bebouwd gebied kan in de papieren lopen en zomaar een miljoen euro kosten. Een gedegen uitgevoerd vooronderzoek kan heel wat besparingen opleveren in de eventuele opsporing. Bij een slecht uitgevoerd vooronderzoek bijvoorbeeld is het hele gebied verdacht, bij goed vooronderzoek kun je de ‘schade’ mogelijk beperken door slechts een bepaald deel aan te merken als verdacht gebied. Gemeentes kunnen overigens aanspraak maken op subsidies vanuit de overheid. De overheid vergoedt bij explosieven opsporing en dus ook het vooronderzoek tot zelfs 70% van alle gemaakte kosten.”

Een Strike Photo van Schiphol, d.d. 13 december 1943.

Een duik in de archieven

Om een goed beeld te krijgen van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld in een bepaald gebied, begint historicus Enenkel altijd met bronnenonderzoek in de verschillende archieven in zowel Nederland als het buitenland. “We raadplegen daarbij onder meer het gemeentearchief, waarin zich rapporten van de luchtbeschermingsdienst bevinden. De luchtbeschermingsdienst hield het luchtverkeer boven de Nederlandse gemeenten in de gaten tijdens WOII. Het zijn vaak hele gedetailleerde rapporten waarin precies beschreven staat wat er gebeurd is en wat de gevolgen waren. Daarnaast raadplegen we de Britse en Amerikaanse archieven voor wat betreft de bombardementsgegevens. Hierin is onder meer informatie te vinden over de hoeveelheid toestellen dat per missie werd uitgestuurd, om welke type toestellen het ging, hoeveel munitie er aan boord was, et cetera. Ook zijn er stapels schadeformulieren ingediend door de Nederlandse bevolking met veelal een exacte beschrijving van de schade, waarvan we gebruikmaken. En zo is er een schat aan informatie beschikbaar tot zelfs stukken van het verzet aan toe die mogelijk waardevolle informatie bieden. Verder gebruiken we stukken uit het Nationaal Archief, het NIMH, het NIOD en hebben we zelf veel informatie in huis van buitenlandse archieven uit Groot-Brittannië, Amerika en Canada. Het komt voor dat er in het verleden, bijvoorbeeld door gevechtshandelingen tijdens de bevrijding belangrijke archiefgegevens verloren zijn gegaan, maar omdat we zoveel verschillende bronnen raadplegen is er vaak overlap en kunnen we altijd een goede reconstructie maken van de oorlogshandelingen.”

Luchtfoto-onderzoek

Op basis van het bronnenonderzoek wordt door Bombs Away een chronologische lijst van gebeurtenissen samengesteld. “Dat vormt de input voor onze geowetenschappers die de gebeurtenissen met een topografische beschrijving intekenen op de kaart”, legt Enenkel uit. “Vervolgens gaan we op zoek naar luchtfoto’s van het betreffende gebied uit het verleden. De luchtfoto’s moeten genomen zijn binnen een half jaar na een oorlogshandeling. Onze luchtfoto-analisten analyseren die op verstoringen. Daarbij kun je denken aan kapotte daken van huizen, een krater in het landschap of beschadigingen aan een (spoor)weg. Het wordt allemaal vergeleken met luchtfoto’s uit de vooroorlogse periode. Op die manier wordt beoordeeld of er sporen te zichtbaar zijn van de oorlogshandelingen die uit ons bronnenonderzoek naar voren komen. Hierdoor kunnen we een inschatting maken of een bepaald gebied een verdacht is op explosieven en zo ja, hoe groot dat gebied moet zijn. Historische bronnen verklaren zoals gezegd precies wat er is gebeurd op een locatie. Aan de hand van die gegevens kunnen wij meestal heel nauwkeurig vaststellen hoeveel bommen er zijn afgeworpen. Als er acht bommen zijn afgeworpen en we zien op de luchtfoto maar zes kraters, dan betekent dus dat er nog twee missen.”     

Een Oblique Strike Photo genomen tijdens het geallieerde bombardement op de Philipsfabrieken in Eindhoven op 6 december 1942.

Van ‘postzegel tot compleet eiland

Het onderzoeksgebied van Bombs Away kan soms een gebied zijn ter grootte van een ‘postzegel’, maar soms ook een hele gemeente of eiland beslaan. “Zo hebben we recent een risicokaart van heel Texel opgesteld,” zegt Enenkel. “Op het eiland stonden tijdens WOII veel stellingen en toen het einde naderde kwamen de Georgiërs die aan Duitse zijde meevochten ook nog eens in opstand. Kortom, een bijzondere situatie. Ook hebben we hier de crashlocaties van toestellen exact in kaart kunnen brengen aan de hand van bronnen, historisch beeldmateriaal uit verschillende archieven en de hulp van lokale bewoners met veel gebiedskennis. Je maakt zo een gedetailleerde constructie van gebeurtenissen die ruim 75 jaar geleden plaatsvonden”, zegt Enenkel enthousiast. “Juist dat maakt ons werk zo boeiend én tegelijk ook cruciaal. Explosieven uit WOII vormen nog steeds een gevaar voor mens, dier en infrastructuur. Ook na ruim 75 jaar.”     

Nieuwsbrief

Meld u aan om nieuws & updates te ontvangen.

Contact

Wouter Jansen

Projectmanager

Uw organisatie promoten via het Grond/Weg/Waterbouw netwerk? Ik help u graag verder.

0%

    Stuur ons een bericht