Tagarchief: De Pen

De Pen | Alleen door te delen, kunnen we vermenigvuldigen

heijden
Lees het gehele artikel

Bijna ieder bedrijf ziet de noodzaak van digitalisering in. Dat is mooi voor het bedrijf dat het pad omhoog bewandelt, echter een ding moeten we niet uit het oog verliezen: wie digitaliseert en optimaliseert binnen de eigen gelederen, zonder daarbij te anticiperen op toekomstige connectiviteit en uitwisselbaarheid met branchegenoten, zal uiteindelijk stranden op een eigen digitaal eiland.

De reden dat bedrijven niet verder kijken dan binnen de eigen poorten, is dat digitaliseren een complex vraagstuk is. Het is moeilijk om in de toekomst te kijken en het grotere plaatje te zien. Toch is dat wel nodig, om uiteindelijk te komen waar we met de hele branche graag staan. Namelijk een infrasector waarbinnen we echt samenwerken, profiteren van elkaars kennis en ervaring en zonder dat er aan onze boterham geknabbeld wordt, onderdeel uitmaken van een geoptimaliseerde sector.

Wie durft die cultuuromslag te maken?

Om beter samen te gaan werken, zullen we data moeten gaan delen. Dat zal een kwestie van geven en nemen worden. Wie zelf altijd 100% wil profiteren en een ander niets gunt, zal de boot missen. Het succes zit in de balans die er moet komen. Vandaag neem je genoegen met het verdienen van 80% en gunt een ander 120%. Morgen gebeurt het omgekeerde. Dat gaat vanzelf, dat mag u van mij aannemen. Dit vergt echter wel een cultuuromslag en, om de beeldspraak maar weer toe te passen, dat bedrijven bruggen gaan bouwen tussen hun eiland en dat van anderen. 

Deze cultuuromslag vraagt ook om het nemen van verantwoordelijkheid. Een voorbeeld: inkopende partijen in de sector (Gemeenten et cetera) willen nog wel eens een onhaalbaar plan van eisen in de uitvraag zetten. Iedereen ziet dat het niet kan, maar er is altijd een partij die “ja” zegt en dan maar ziet wat ervan te maken is. Dat schaadt de branche ongelooflijk. De lat wordt lager gelegd en al snel wordt hun probleem ieders probleem. Het gevolg: een kwalitatief onder de maat uitgevoerd werk, rechtszaken en verstoorde relaties. Dat hoeft niet. Willen we in de toekomst gelijkschakelen in de infra, dan zullen we allemaal ons steentje moeten bijdragen en onze verantwoordelijkheid moeten inzien.

Het eindresultaat moet leading zijn

De voorgestelde verandering is haalbaar, zeker aan de kant van de opdrachtgever en de uitvoerende kant. Het is de tussenlaag die voor problemen kan zorgen. Daar worden verantwoordelijkheden afgewezen, risico’s verlegd en onmogelijke eisen gesteld. Dat remt enorm en levert vaak schade op. Laten we met elkaar afspreken dat het eindresultaat altijd “leading” is. Dat krijg je niet in een plan van eisen geformuleerd, dat kun je alleen bereiken door te communiceren op menselijk niveau, door gunnen, door delen en elkaar te vertrouwen. Opdrachtgevers zoals gemeenten mogen zich dan niet meer als “expert” opstellen.  De samenwerkende partijen moeten de focus hebben op de doelstellingen binnen een project en niet alleen maar op de kosten. Dat is de cultuurverandering: de bereidwilligheid tonen om onderlinge transparantie na te streven.

Technologisch innoveren betekent marge inleveren

Je kunt sensoren niet met elkaar laten samenwerken als één van de partijen continu zijn verantwoordelijkheden verlegt. Technologische innovatie op een branche brede schaal bereik je alleen door her en der marge in te leveren. De winst komt achteraf. We zullen moeten luisteren naar de mensen die in het veld werken, als we techniek en technologie naar een hoger plan willen tillen. Daar gebeurt het, daar wordt het resultaat zichtbaar. De sector loopt achter in digitalisering omdat men buiten, in het veld, gemakkelijk is. Het is niet ongebruikelijk dat men in het veld papieren lijsten loopt in te vullen en die naar kantoor stuurt, zodat iemand anders de gegevens kan ingeven in de computer. Elke tussenliggende schijf geeft kans op falen en alles gaat ten koste van winst en flexibiliteit.

Software wordt vaak op kantoor ontwikkeld door bedrijven waarvan de ontwikkelaars geen modderige laarzen in de kofferbak hebben liggen. Het is allemaal puur theoretisch. Het gevolg is dat de software niet gebruikt wordt in het veld, omdat het tegenvalt. Toch knap dat die bedrijven zonder digitalisatieslag goed kunnen draaien.

Realiseer koppelingen

Stel vragen bij het inkopen van hardware en software. Vragen als: “Kan ik de brondata die ik via jullie wegschrijf exporteren naar andere systemen?” en “Kan ik makkelijk koppelingen maken met andere systemen?” Koppelen betekent de horizon verbreden. Wees dus niet te protectionistisch en start met delen. De toekomst is rooskleurig voor hen die open staan voor uitwisseling van gegevens..  

De Pen | Op een normale, fysieke manier regenval wegwerken wordt onbetaalbaar

rsm-richard-janssen-7093
Lees het gehele artikel

Bovenstaande uitspraak komt wellicht rauw op het dak vallen, dat besef ik. Met deze uitspraak wil ik dan ook zeker niet zeggen dat wat er nu gedaan wordt om het hemelwater af te voeren zinloos is. Er moet iets gebeuren en alle inspanningen helpen. De klimaatproblematiek is er echter en we zullen alleen maar meer en heftiger regenbuien krijgen, op een frequentere basis.

De verstedelijking heeft in Nederland de laatste 25 jaar sterk toegenomen. In de grootstedelijke gebieden is er simpelweg te weinig natuurlijk oppervlak dat voldoende infiltratie mogelijk maakt om het water natuurlijk af te kunnen voeren. De rioleringen zijn er niet op berekend en het aanleggen van nieuwe afvoervoorzieningen in steden is geen sinecure.  Doorgaan met nog meer grote infiltratiesystemen, (pomp) putten, dubbele afvoerleidingen et cetera om hiermee het toekomstige probleem op te vangen, vraagt om het openleggen van hele straten en woonwijken. Met de drukke, ondergrondse infrastructuren die men dan tegenkomt, wordt het lastig om ruimte te creëren. Dan hebben we het nog niet eens over de infrastructurele bovengrondse chaos die er zal ontstaan. Moeten we misschien accepteren dat we in de toekomst water op de begane grond hebben staan en geen garantie meer hebben op droge voeten?

Het traditionele denken moet doorbroken worden

In de vaderlandse grond-, weg- en waterbouw wordt gelukkig veel gedaan om de toenemende wateroverlast aan te pakken. Er is weliswaar sprake van innovatie, echter is deze meestal gebaseerd op voortborduren vanuit bekende oplossingen. De vraag die dan rijst, is of het traditionele denken ons gaat redden. Een vraag die ook bij Nering Bögel speelt en waarop we geen eensluidend antwoord hebben. Na veel brainstormen is het idee voor Waterquest ontstaan. Vanuit de filosofie dat we knappe koppen aan het denken moeten zetten, die nog niet “besmet” zijn met tradities. Studenten die vanuit verschillende disciplines het probleem aanvliegen vanuit richtingen die ons tot nu toe niet bekend waren. Door te investeren in Waterquest, investeren we in een veilige toekomst voor iedereen. Dat gaat over generaties en niet meer over een snel berekenbaar “return on investment”. De problematiek is namelijk niet meer in geld uit te drukken. Was het maar zo makkelijk.

De uitkomst is een welhaast utopisch idee

Wanneer je zoals gezegd een probleem voorlegt aan denkers die geen hinder ondervinden van oude patronen, dan kun je een uitkomst verwachten die naar oude denkpatronen utopisch overkomt. Er is maar één weg, blijkt uit de resultaten van Waterquest: we moeten voorkomen dat de regen naar beneden komt op plaatsen waar we haar niet willen hebben. “Hoe dan?”, hoor ik u hardop denken. Dat kan door van het principe uit te gaan dat je alles mag doen om tot dat resultaat te komen. Stel je eens voor dat je met onorthodoxe maatregelen kunt voorkomen dat er straks in Amsterdam 250 liter water per seconde, per hectare naar beneden komt, in een regenbui die niet de normale gemiddelde 6 minuten duurt, maar 30 minuten? (Want dat zijn de harde cijfers) Dat zou een revolutionaire oplossing toch compleet rechtvaardigen?

De oplossing ligt in het beïnvloeden van regenwolken in een lage luchtdrukgebied. Kunnen we die straks verplaatsen, beter gezegd, sturen door de luchtdruk te verhogen? Of kunnen we door middel van het uitzenden van trillingen ervoor zorgen dat de verzadigde wolken leegregenen voordat zij een stad bereiken? Dat gaan we onderzoeken met Waterquest. Ook de juridische aspecten die daarbij komen kijken, want wie belasten we dan met de regenval?

Realistischer hypothetische oplossingen worden ook onderzocht. Bijvoorbeeld het alternatief afvoeren van huishoudelijk afvalwater, zodat de bestaande riolering alleen nog gebruikt wordt voor het transport van hemelwater. Of het inzetten van opvangbekkens die capsules afvullen met regenwater, die daarna met een snelheid van 300 km per uur als “buizenpost” verstuurd worden naar gebieden waar het water geloosd kan worden zonder schadelijke gevolgen.

De moraal van het verhaal: we zullen moeten gaan voorkomen dat de regen op ongewenste plaatsen valt. Voorkomen is het devies, want genezen gaat eigenlijk al niet meer. Omdat deze benadering geen directe inkomsten oplevert, zijn we aangewezen op maatschappelijk engagement binnen de infrasector. Daarvoor is samenwerking nodig. Die begint bij een kop koffie en een goed gesprek met open vizier. U bent van harte uitgenodigd, bij deze..

De Pen | Veiligheid, daar kun je niet open genoeg over zijn

cees-brandsen-goede-foto-kopieren
Lees het gehele artikel

Wanneer we kijken naar veiligheid in onze sector, dan zie ik een groot verschil ontstaan. Een verschil tussen veiligheid op een vaste locatie, “binnen de hekken” en daarbuiten. Binnen de hekken hebben we met zijn allen een enorme vooruitgang geboekt. Deze wereld is dan ook beter beheersbaar dan de wereld buiten de omheining. Daar gaat de vooruitgang te langzaam, naar mijn zin. De zichtbaarheid is weliswaar verbeterd, ik constateer echter dat men al snel terugvalt in het oude doen. Waar binnen de hekken de calamiteiten zich veelal beperken tot kleine ongevallen, daar zien we langs de weg nog teveel grote incidenten plaatsvinden.

Grote bedrijven maken werk van veiligheid en kunnen grotere budgetten reserveren. Voor kleinere bedrijven is dit moeilijker, tevens is de impact van een ongeval bij een klein bedrijf veel groter. De gevolgen voor de bedrijfsvoering en de medewerkers zijn daar direct merkbaar, waarbij de impact op het personeel enorm is. Zoals gezegd, investeren in veiligheid is lastig voor kleine bedrijven. Toch treden zij vaak op als onderaannemer op grote werken. Maar al te vaak zien we dat bedrijven snel terugvallen op oude wetmatigheden. Het werken langs de weg is een samenspel tussen weggebruikers en wegwerkers. Onoordeelkundigheid van chauffeurs en misstappen van wegwerkers vormen tezamen een dodelijke cocktail aan omstandigheden.

In de bouw registreren we al enkele jaren een score van circa 20 doden op jaarbasis (volgens Cobouw). Dat is al een lager getal dan daarvoor, echter het cijfer is volledig gestagneerd. Een handicap die daarbij komt kijken is dat het leren van een ongeval onder druk staat. De angst om alle onderzoeksgegevens die horen bij een ongeval open en bloot op tafel te leggen zit er goed in. Dit heeft nu alles te maken met de gevolgen die deze transparantie kan hebben op het juridische vlak. Verzekeringsmaatschappijen claimen om een schuldige aan te kunnen wijzen. Wanneer iedereen met dezelfde voorzichtigheid de onderzoeksgegevens binnen de eigen muren houdt, zullen we nooit een correcte lering kunnen trekken uit het incident, om zo tot een verbeterde situatie te komen.

De vraag is dus: met welke groepen deel ik informatie die voortkomt uit een calamiteitenonderzoek? Welke elementen heb je nu nodig om niet alleen te leren, maar ook de consequenties te kunnen aanvaarden? De GWW-sector vindt het moeilijk om consequenties om te zetten in daden en verbeterpunten. Veiligheid, handhaving en het bijbrengen van veiligheidsbesef vormen samen een complexe driehoek. Grote bedrijven hebben hun onderaannemers om die reden niet goed “in de tang”. De enige methode om het besef aan te wakkeren, blijft toch een strikte handhaving, met consequenties voor degenen die zich niet conformeren. Werknemers mogen elkaar best aanspreken op onveilig gedrag, je schaadt er namelijk niet alleen jezelf mee, maar ook anderen.

Zullen we afspreken met elkaar dat we door zelf beter na te denken en ons beter voor te bereiden samen het veiligheidsbesef naar een hoger niveau tillen? Zullen we afspreken dat we geen uitvluchten meer accepteren? Veiligheid begint bij jezelf, je werkt veilig, of je werkt niet. Veiligheid moet in onze genen zitten. Vanuit mijn positie zal ik door blijven gaan met het ontwikkelen van een verbeterde veiligheid, dat is mijn belofte. 

De Pen | Jan Huijbers

dsc06328
Lees het gehele artikel

Ons toekomstige zand wordt geblokkeerd door 900.000 zeemijnen

Toen in 1998 vanuit defensie minder mankracht beschikbaar gesteld werd voor OCE-werkzaamheden (opsporing conventionele explosieven), legde de overheid deze taak neer bij de markt. Zo ontstond er een civiele branche in opsporing van explosieven bij grondwerkzaamheden, waarbinnen ook ons waterbouwbedrijf een rol is gaan spelen. Samen met collega-bedrijven, defensie en Binnenlandse Zaken heeft ons bedrijf destijds meegeholpen met het opstellen van de BRL, de Beoordelingsrichtlijn. Tegenwoordig spreken we over WSCS-OCE, het werk blijft echter hetzelfde: we sporen conventionele explosieven op, benaderen deze en stellen alles veilig. Daarna is het aan de EOD (explosievenopruimingsdienst) om het explosief onschadelijk te maken of gecontroleerd tot ontploffing te brengen. Waar in Nederland vooral explosieven uit de tweede wereldoorlog in de grond zitten, daar heeft België te maken met vooral explosieven uit de eerste wereldoorlog. Genoeg om met ons bedrijf fulltime met ca. 40 werknemers elke dag werkzaam te zijn in OCE.

Met vestigingen in Nederland en België maken we risicokaarten die gebruikt kunnen worden om explosieven te omzeilen bij werkzaamheden. Onze ingenieurs zijn specialisten in risico-inventarisatie. We hebben historici in dienst die kennis hebben van de inzet van explosieven in de eerste en tweede wereldoorlog en beschikken over een groeiend archief met informatie en beeldmateriaal. Maar liefst 400.000 luchtfoto’s geven in dit archief de plaatsen aan waar fronten, inslagkraters, geschutskoepels en loopgraven zijn geweest.  Dagelijks zijn twee medewerkers actief met het vullen van informatie in een GIS-systeem, waarmee een belangrijke informatiebron ontstaat die gebruikt wordt voor de OCE-adviezen. In het veld, bij de opsporing van CE, is het van belang om de juiste beheersmaatregelen te nemen om de risico´s voor personeel en omgeving te beheersen. Wanneer een vermoedelijke blindganger opgegraven moet worden, tot wel 12 meter diep, is vooral de civieltechnische kennis van belang over de grondgesteldheid de waterhuishouding en de omgevingsfactoren. Bij het ruimen door de EOD kan het voorkomen dat gehele gebieden ontruimd moeten worden. Kortom OCE-werkzaamheden kunnen heel ingrijpend zijn voor de omgeving.

Het frappante is dat er vandaag, 74 jaar na de tweede wereldoorlog, nog steeds geen normenkader is vastgesteld. We zijn nog altijd in overleg met de overheid om daar structuur in aan te brengen. De noodzaak om explosieven te ruimen beperkt zich echter niet meer tot individuele bouwwerkzaamheden die veilig uitgevoerd moeten kunnen worden. Door de stijgende zeespiegel wordt er meer en meer zand verlangd om op te spuiten. Bedenk dat er in de Noordzee alleen al, naast andere categorieën explosieven, meer dan 900.000 zeemijnen in de bodem zitten. Grofweg verdeeld in 300.000 stuks uit de eerste wereldoorlog en 600.000 stuks uit de tweede wereldoorlog, vormen deze zeemijnen een absolute hinderpaal in de zandwinning. Elk stuk munitie waar we omheen moeten varen, maakt een verschil van gemiddeld maar liefst 35.000 kuub zand! Wanneer we de rekensom maken, dan staan alleen al de 900.000 zeemijnen de winning van 31,5 miljard kuub zand in de weg. Zand dat we in de toekomst dringend nodig zullen hebben om ons te beschermen tegen de stijgende zeespiegel. Daarom pleit ik ervoor om als branche met de overheid aan tafel te gaan zitten en te bekijken op welke manier we de Noordzeebodem vrij kunnen maken voor zandwinning. Laten we de visserij weer gaan belonen, net als vroeger, door hen voor elk ingeleverd stuk munitie een vergoeding te geven. Dat voorkomt dat men de munitie na vangst weer overboord gooit, op voor ons onbekende plaatsen. Laten we gaan samenwerken om het algemeen belang te dienen. 

De Pen | Jan Willemsen

cwd-jan-willemsen
Lees het gehele artikel

Regeren is vooruitzien

Het pad op weg naar een duurzame wereld wil in onze sector nog weleens slingerend en hobbelig zijn. Innovatie is broodnodig, om tot oplossingen te komen die antwoorden bieden op energietransitie- en milieuvraagstukken. Daar is echter wel ruimte voor nodig. Zowel op het gebied van wet- en regelgeving, als op het financiële vlak. De eisen en wensen staan soms lijnrecht tegenover de geldende regels en beschikbare budgetten. Opdrachtgevers willen graag in de pas lopen als het aankomt op het naleven van alle richtlijnen inzake duurzaamheid, maar trappen vaak op de rem als er qua oplossingen van gebaande paden afgeweken wordt, of een offerte hoger uitvalt dan zij gewend zijn. Dat frustreert weleens.

Het probleem ligt een beetje aan de basis, aan de motivatie achter een aanvraag of opdracht. Zouden deze verstrekt worden vanuit een moreel besef dat we met zijn allen ‘op weg naar beter’ moeten, dan zou de maatschappelijke verantwoordelijkheid prevaleren boven alles. De praktijk wijst echter maar al te vaak anders uit. Opdrachtgevers -soms ook de overheid zelf- worstelen met het vraagstuk hoe men tegen de laagste prijs met de hakken over de sloot kan voldoen aan de gestelde eisen en richtlijnen. Dat is dodelijk voor de ruimte die we nodig hebben om te kunnen innoveren. Er zal een algemene bewustwording moeten ontstaan, van waaruit met visie naar de lange termijn gekeken wordt. Pas wanneer we consensus bereiken als samenwerkende partijen om gezamenlijk een doel na te streven met een eindpunt aan de horizon, de spreekwoordelijke ‘stip’, zal investeren aan het begin van het traject winst aan het eind van het traject betekenen. Het is dus noodzaak om projecten over de ‘lifecycle’ te bezien.

We hebben de hele keten nodig om echt te kunnen innoveren. Dat kan alleen werken als we allemaal aan open innovatie doen en onze kennis delen. De angst die daarbij komt kijken bij veel bedrijven, is dat je daarmee de concurrentie in de kaart speelt. Niets is echter minder waar. Open kennisdeling betekent dat je jezelf verplicht om te blijven innoveren. Bij elkaar opgeteld is alle inspanning dan goed voor de ‘BV Nederland’. We zijn al een behoorlijk eind gekomen, zelfs met de rem erop. Technisch gezien kan er al zoveel; we hebben samenwerking tussen verschillende takken van sport binnen de sector. Denk aan civiel, elektrotechniek en automatisering bijvoorbeeld. De investeringsbereidheid blijft echter een issue en we willen allemaal op zijn minst overleven als bedrijven. Hoe stel je dan een offerte op, wanneer de investeringsbereidheid laag is? Hoe kun je innovatief zijn, zonder jezelf meteen uit de markt te prijzen? Om nog maar te zwijgen over de uitvoerbaarheid van goede innovatieve plannen, wanneer bijvoorbeeld dat plan voor die energieneutrale weg totaal niet past binnen de -gedateerde- eisen die er gesteld worden en kaders die er gelden.

Het is niet zo moeilijk om je de ideale situatie voor te stellen. Die is in mijn ogen een structurele samenwerking tussen partijen in de markt en de overheid. Samen aan tafel gaan zitten en ‘vergeet wat je weet’ als motto hanteren. Opnieuw starten, met een frisse blik kijken naar problemen die vandaag de dag bestaan en waar antwoorden op gegeven moeten worden. Innovatie zien als een cumulatief proces en het nieuwe werken zien als een evolutie. Het besef kweken dat wat je vandaag extra investeert, zichzelf over een aantal jaren terugbetaalt.

Zoals de titel zegt: “Regeren is vooruitzien”

De Pen | Michèle Blom

Column-De-Pen
Lees het gehele artikel

De toekomst start nu!

De GWW-sector is enorm in beweging. We hebben de crisis definitief achter ons gelaten. Overal in het land gonst het van de bouwactiviteit. Maar wie tot over zijn oren het werk zit, neemt nogal eens te weinig tijd om vooruit te kijken. En juist dat is in deze tijd hard nodig. Er doen zich in ons land namelijk vele ontwikkelingen voor die vragen om bezinning.

Kijk alleen maar naar de klimaatverandering. Het weer wordt grilliger. 2018 was daarvan het overtuigende bewijs. Begin januari hebben we voor het eerst al onze vijf stormvloedkeringen keringen tegelijk moeten sluiten. Na een voorjaar met extreem hoogwater op de rivieren volgde een zomer die de droogste was in de recente geschiedenis.

We ontkomen er dus niet aan ons land klimaatbestendig en waterproof te maken. Alleen al tot 2028 moeten meer dan 1100 kilometer aan dijken en 256 sluizen en gemalen worden versterkt. En we willen het IJsselmeer snel omturnen in een duurzaam zoetwaterreservoir.

Maar het klimaat is niet de enige uitdaging waarvoor we de komende decennia staan. Het instorten van de brug in Genua heeft het belang van goed onderhoud nog eens onderstreept. De komende decennia hebben honderden bruggen, viaducten, sluizen en stuwen een grondige opknapbeurt nodig. Daarmee staan we in dit land voor de grootste onderhoudsopgave in onze geschiedenis.

Daar komt nog bij dat de mobiliteit sinds de crisis weer enorm toeneemt. Om onze nationale transporteconomie te beschermen, is tot 2032 nog minstens 1.000 kilometer aan extra asfalt nodig.

Werk te over, dus. Nederland moet ingrijpend op de schop. Maar wie zich verdiept in de uitvoering daarvan, ziet ook de dilemma’s. We zullen de komende decennia werkelijk overal in het land aan het werk zijn. Hoe voorkomen we dat Nederland vast komt te staan?

Hoe gaan we om met hinder, storingen en gevaarlijke situaties? En hoe bemensen we al die projecten?

Bovendien hebben we dringender dan ooit behoefte aan duurzame innovaties. De infrastructuur waaraan we werken moet immers functioneren in de wereld van morgen. Hoe maken we onze wegen nu al geschikt voor zelfrijdende auto’s en slimme mobiliteit? Hoe komen we in 2030 tot een klimaat neutrale infrastructuur en tot maximaal hergebruik van materialen? 

We worstelen met vele vragen. Maar duidelijk is wel dat de opgave voor onze sector veelomvattend, urgent en ingewikkeld is. Die vraagstukken zijn niet op te lossen op de oude vertrouwde manier. De innovatiegraad in onze bouwsector land moet echt snel omhoog.

Daarom wil ik samen met de sector de belangrijkste vraagstukken bij de kop pakken. We moeten ons buigen over de ontwikkelingen die ons werk tot 2030 gaan domineren en afspraken maken over hoe we het samen anders gaan doen.

Daarmee doel ik niet alleen op onze productie- en innovatieopgave. Ook ons opdrachtgever-opdrachtnemerschap hoort op tafel. We zullen samen op moeten trekken. Elkaar willen ontzorgen en beschermen. Innoveren en experimenteren gaat immers altijd gepaard met aanloopproblemen en kinderziektes. Die risico’s willen we niet eenzijdig neerleggen bij de markt.

De uitdaging is te komen tot een rendement dat gezond is voor de samenleving, voor de sector en de aandeel¬houders. Als er een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid op je schouders ligt, mag daar een eerlijke beloning tegenover staan. Ik maak me sterk voor afspraken en contracten die fair zijn, die prikkelen tot innovatie en efficiency en die de faalkosten verminderen. Daar wil ik in het komende jaar met de GWW-sector in gesprek.

We kunnen niet te lang wachten. Tussen de tekentafel en de oplevering van een project gaapt al snel een periode van tien jaar. Daarom is het motto van Rijkswaterstaat: ‘De toekomst start nu!’. Laten we nu al nadenken over een klimaatbestendig, duurzaam ingericht land. Met een robuuste, toekomstfitte infrastructuur. En een innovatieve, concurrerende en florerende GWW-sector!

Michèle Blom

Michèle Blom, Directeur-Generaal Rijkswaterstaat