Platform over civiele techniek & infrastructuur
Nieuws

Samenwerken aan een vitale waterbouwsector

Foto-Piet-Hein-nieuw
In het kader van schoon en emissieloos bouwen heeft de Vereniging van Waterbouwers samen met onder meer Rijkswaterstaat, diverse waterschappen en Havenbedrijf Rotterdam gewerkt aan een transitiepad voor de waterbouw.

Tekst | Roel van Gils

Beeld | De Vries & van de Wiel

22 september 2022 Leestijd 7 minuten

Deel dit artikel

Duurzaamheid, innovatie en circulariteit zijn belangrijke thema’s in de waterbouw. Vanwege de ‘doorgeschoten’ regelgeving staat de branche er nu op het gebied van circulariteit minder goed voor dan vijf jaar geleden. Tegelijkertijd worden verregaande investeringen van ons verwacht in uitstootreductie en vergroening van de waterbouwvloot. Dat zegt adviseur Yves Marsé van de Vereniging van Waterbouwers. Hij pleit voor meer regie vanuit de overheid waarbij verduurzaming en circulariteit integraal worden opgepakt.

De Vereniging van Waterbouwers is dé werkgevers- en ondernemersorganisatie voor aannemers en dienstverleners in de waterbouw. “Wij behartigen de belangen van onze 91 leden en werken samen continu aan een vitale waterbouwsector, zowel in zoet- als zoutwater”, zegt Marsé. “Daarbij concentreren wij ons uitsluitend op bedrijven die in Nederland actief zijn. Het varieert van grote baggeraars tot aan kleine ondernemingen die zich bijvoorbeeld bezighouden met het uitbaggeren van sloten, en alles daartussen.”

Adviseur Yves Marsé van de Vereniging van Waterbouwers.

Langetermijnvisie 

In het kader van schoon en emissieloos bouwen heeft de Vereniging van Waterbouwers samen met onder meer Rijkswaterstaat, diverse waterschappen en Havenbedrijf Rotterdam gewerkt aan een transitiepad voor de waterbouw. “De overheid hanteert momenteel een nogal onsamenhangend beleid als het gaat om duurzaamheid”, vindt Marsé. “Er is behoefte aan duidelijkheid en vooral aan een uniforme langetermijnvisie om de beoogde doelstellingen te behalen van 55% CO2-reductie en 60% stikstofreductie in 2030. Daar willen we ons als branche graag aan conformeren mits er wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden. We hebben dan ook gezamenlijk het nodige ‘voorwerk’ verricht en gewerkt aan een transitiepad dat inmiddels is aangeboden aan het kabinet. Hopelijk wordt het in het najaar geaccordeerd, zodat er een investeringsperspectief komt voor de markt om verder te kunnen verduurzamen. Er is nu vooral veel onduidelijkheid en dat maakt het lastig om investeringen te verantwoorden.”

Stapsgewijs naar het ambitieniveau

Het transitiepad is volgens de schoon en emissieloos bouwen (SEB) systematiek opgesteld en bestaat uit twee delen. “Enerzijds maatregelen om aan de minimale eisen te voldoen en een tweede deel met een nog hoger ambitieniveau, de bovengrens”, zegt Marsé. “Beide delen zijn opgeknipt in vier periodes van telkens een paar jaar om stapsgewijs te komen tot de reductiedoelstellingen en ambities in 2030. Voor iedere periode wordt gespecificeerd wat de minimale vereisten zijn op het gebied van motoren en brandstofdragers. Voor 2028 is CCR2 gesteld als minimale eis. Belangrijk is dat het gaat om het gewogen gemiddelde van alle aanwezige motoren aan boord. Voor het tweede deel van het transitiepad vormt de beschikbaarheid van financiële middelen een serieus knelpunt. Het is afwachten in hoeverre het kabinet hierin mee wil gaan om die ambities waar te maken. We hebben TNO onderzoek laten uitvoeren naar de verduurzamingsopties voor de zoetwatervloot. Niet overal kun je zero emissie materieel inzetten en waar het wel mogelijk is, vraagt dat een factor 5 tot 10 hogere investering wat neerkomt op z’n 300 tot 400 miljoen aan meerkosten tot 2030. De vraag die we met z’n allen moeten stellen en nu bij het kabinet ligt is: hebben we dat ervoor over?”

Volgens het circulaire gedachtegoed zou je grond of bagger die bij een werk vrijkomt bij voorkeur lokaal weer terug moeten inzetten, stelt Marsé terecht. “Tot een aantal jaren geleden gebeurde dat ook. Helaas werpt de regelgeving steeds meer belemmeringen op, PFAS is daarvan het meest prangende voorbeeld. Aan de ene kant heb je de industrie die kilogrammen in onze leefomgeving mag brengen via de lucht en het water. Bij het baggeren tref je dat natuurlijk aan. Op zich geen probleem, ware het niet dat voor ons de normen op tienden van microgrammen staan gesteld. Dat is een miljard keer zo klein (!) en staat dus totaal niet in verhouding. Het is ook veel strikter dan met andere stoffen wordt omgegaan. Het gevolg is dat je als aannemer de grond en bagger over steeds grotere afstanden moet verschepen naar één van de drie stortlocaties in Nederland, terwijl het materiaal vaak bruikbaar is. Dat is allesbehalve circulair en in strijd met het beleid van het kabinet om hergebruik te stimuleren. Behalve niet goed voor het klimaat vanwege extra uitstoot door het transport, kost het ook nog eens veel meer geld dat je veel beter kunt inzetten voor verduurzaming.” 

Wij zouden als brancheverenging graag zien dat circulariteit en verduurzaming integraal worden opgepakt, zodat je generieke afwegingen kan maken, resumeert Marsé. “Het huidige beleid met steeds striktere normen aan de achterkant is niet houdbaar op de langere termijn. Het moet in proportionaliteit worden gezien. Een moeilijke politieke discussie waar we in Den Haag aandacht voor blijven vragen om hierin een reëler beeld te scheppen. Vijf jaar terug waren we circulairder dan nu. Dat besef is er helaas niet breed, maar is wel de consequentie van het huidige beleid.” 

Nieuwsbrief

Meld u aan om nieuws & updates te ontvangen.

Contact

Frank Wekking

Projectmanager

Meer online zichtbaarheid creëren via Grond/Weg/Waterbouw? Neem contact met mij op.

0%

    Stuur ons een bericht