aansprakelijkstelling
03:43
06-02-2017

Aansprakelijkheid in beton gegoten?

Aannemers worden door hun opdrachtgevers met regelmaat geconfronteerd met een aansprakelijkstelling voor een gebrek in opgeleverd werk. Hoe zat het ook al weer in de UAV 2012 met de aansprakelijkheid van de aannemer en wat kan worden verwacht indien een geschil escaleert? 

UAV 2012
De hoofdregel in het bouwrecht is dat na de dag van oplevering (par. 10 UAV 2012) de aannemer niet meer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk. In de UAV 2012, de in de bouw veelvuldig gebruikte algemene voorwaarden, is dit bepaald in par. 12. De regeling kent een tweetal uitzonderingen, namelijk i) in geval een werk geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling en ii) indien sprake is van een verborgen gebrek. Van een verborgen gebrek is sprake indien het ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel de opneming als bedoeld in par. 9 lid 2 UAV 2012 door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden.

Aangenomen wordt dat aansprakelijkheid van de aannemer voor het vergaan van het werk is uitgebreid tot 10 jaar na de dag van oplevering dan wel het verstrijken van de onderhoudstermijn (par. 11 lid 2 UAV 2012), terwijl een meer voorkomende vordering uit hoofde van verborgen gebrek binnen 5 jaar na oplevering dan wel het verstrijken van de onderhoudstermijn dient te worden ingesteld.

Daarmee is nog niet alles gezegd. Van belang is nog de zeer korte verjaringstermijn uit art. 7:761 Burgerlijk Wetboek (BW), dat bepaalt dat vorderingen wegens gebreken in het opgeleverde werk door verloop van 2 jaar verjaren nadat de opdrachtgever daarover heeft geprotesteerd. Dit betekent dat indien een opdrachtgever na protest over een gebrek in opgeleverd werk binnen 2 jaar geen enkele actie neemt richting de aannemer, de opdrachtgever op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen of – meer juridisch – ‘niet ontvankelijk’ is. De praktijk leert dat aannemers vaak al op basis van deze verjaringstermijn, welke termijn door opdrachtgevers met regelmaat over het hoofd wordt gezien, vorderingen buiten de deur kunnen houden. Overigens kan verjaring worden afgebroken door een stuiting, inhoudende een schriftelijke mededeling van opdrachtgever aan aannemer met daarin de duidelijke mededeling dat herstel van het gebrek wordt verlangd.

Een voorbeeld: een werk is opgeleverd in januari 2008. In mei 2009 meldt een opdrachtgever zich voor het eerst bij de aannemer met een klacht over een vermeend verborgen gebrek en eerst in november 2015 wordt door de opdrachtgever een procedure aanhangig gemaakt waarin herstel wordt gevorderd van het gebrek. In deze situatie zou, los van de vraag of daadwerkelijk sprake is van een gebrek, de vordering op de voet van de UAV 2012 in het jaar 2013 komen te vervallen (par. 12). Echter, omdat in mei 2009 is geklaagd is de vordering al eerder verjaard, namelijk in mei 2011 (art. 7:761 BW). De vordering zal dus niet slagen.

Escalatie
Escalatie van een discussie kan leiden tot een procedure. Dit kan bij de civiele rechter maar in de bouw worden geschillen veelal voorgelegd aan het arbitraal scheidsgerecht van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (RvA). De arbiters (leden-deskundige) van de RvA hebben ervaring in en kennis van de bouw en de leden-jurist zijn vrijwel altijd afkomstig uit de rechterlijke macht. Arbiters worden steeds bijgestaan door een in het bouwrecht gespecialiseerde secretaris-jurist.

Een procedure bij de RvA ziet er in de regel als volgt uit: de procedure wordt ingeleid met een verzoekschrift (of: memorie van eis), waarop de wederpartij in de vorm van een memorie van antwoord mag antwoorden. Veelal krijgen partijen hierna de kans om nog een keer schriftelijk op elkaars stukken te reageren, in de vorm van een memorie van repliek respectievelijk dupliek. Daarna krijgen partijen de mogelijkheid hun standpunten toe te lichten tijdens een mondelinge behandeling en volgt uiteindelijk het vonnis. Van het vonnis kan in beginsel in hoger beroep worden gegaan.

Uitspraken
In de praktijk leiden aansprakelijkheidskwesties bij de RvA tot lezenswaardige vonnissen, die zijn te lezen op www.raadvanarbitrage.info. Als voorbeeld noem ik hierna een tweetal recente uitspraken waarin beton, hoofdonderwerp van deze editie, onderwerp van geschil was.

Verantwoordelijk voor verkeerde uitvoering (RvA 12 augustus 2016, geschilnr. 35.634)

Discussies bij de RvA gaan vanzelfsprekend niet vaak louter over de vraag of het eindresultaat gebrekkig is, maar wie daarvoor aansprakelijk is. Zo ook in deze zaak waarbij de aannemer verantwoordelijk was voor het aanbrengen van constructievloeren met daarop cementdekvloeren in een volautomatische autoberging. Er was een bestek aanwezig, maar op initiatief van de aannemer en met goedkeuring van opdrachtgever (een gemeente) werd een wijziging daarin doorgevoerd. Het eindresultaat was gebrekkig, aldus opdrachtgever.

De aannemer diende in de procedure te bewijzen dat de gebreken niet voor zijn rekening kwamen. Ongeacht de wijziging waarmee de opdrachtgever akkoord was gegaan, bleef de aannemer volgens de arbiters namelijk verantwoordelijk voor de uitvoering: “Het enkele feit dat de gemeente het betonmengsel heeft goedgekeurd, betekent niet dat de gemeente daarmee verantwoordelijk is geworden voor de keuze van dit mengsel”.

De arbiters achtten het aannemelijk dat er sprake was van een uitvoeringsfout. In het bestek stond duidelijk beschreven hoe er gewerkt moest worden, maar de aannemer had dit niet goed gelezen en ook niet goed uitgevoerd. De aannemer had nog wel enkele vragen aan de gemeente gesteld over de haalbaarheid van de wijzigingen maar zonder het noemen van de consequenties van die wijziging voldeed de aannemer niet aan zijn waarschuwingsplicht, aldus de arbiters. De gebreken bleven dus voor zijn rekening.

Verkeerde samenstelling van het beton (RvA 25 augustus 2016, geschilnr. 35.379)

In een andere zaak deed zich een soortgelijk geval voor. Een onderaannemer zou zorgdragen voor de montage van holle wandsystemen in een waterzuiveringsinstallatie en de hoofdaannemer was gehouden zorg te dragen voor de levering van die holle wanden en de betonmortel. Het geleverde beton had echter een andere samenstelling dan contractueel was overeengekomen. Daardoor voldeed het eindresultaat niet aan de eisen. De vraag was wie hiervoor aansprakelijk was.

De arbiters kwamen al snel tot de conclusie dat er sprake was van een zorgvuldige uitvoering. De onderaannemer was zich bewust van zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering en had in dat kader de hoofdaannemer gewaarschuwd voor de (verkeerde) samenstelling van het geleverde beton. De hoofdaannemer betwistte echter dát er was gewaarschuwd. 

Uiteindelijk kwamen de arbiters tot het oordeel dat de hoofdaannemer door de onderaannemer voldoende gewaarschuwd was. Zij baseerden zich hierbij op een tweetal verklaringen van de werknemers van de onderaannemer en een verklaring van een werknemer van de hoofdaannemer. Het gebrek bleek voor rekening van de hoofdaannemer.

Kortom
Aansprakelijkheid is niet zonder meer in beton gegoten, ook niet in het bouwrecht. Na de dag van oplevering is de aannemer niet meer aansprakelijk voor gebreken, tenzij het werk door zijn toedoen vergaat of sprake is van een verborgen gebrek. Ook dan is het echter nog maar de vraag of de aannemer kan worden aangesproken, verval- en verjaringstermijnen kunnen daaraan immers in de weg staan.

Tekst: Marc Houweling

Beeld: Feltz Advocaten

Abonneer u op onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen rondom civiele techniek & infrastructuur

Lees ons « Privacy statement » voor nadere informatie.

GROND/WEG/WATERBOUW partners

GeokunststofDe Beijer Groep